Go to top
Voor boeken altijd eerst naar De Slegte

Willem Frederik Hermans

Willem Frederik Hermans werd op donderdag 1 september 1921 geboren in de Nederlands Hervormde Diakonesseninrichting aan de Overtoom in Amsterdam, waar thans (op nummer 283) het Revalidatiecentrum zit. Vanaf zijn geboorte tot 1945 woonde hij bij zijn ouders in Amsterdam Oud-West en groeide op als jongste kind van een Amsterdams onderwijzersgezin, dat nog een oudere zus, Corry (1918-1940), telde.

Tot 1929 woonde het gezin aan de Brederodestraat 93 eenhoog, daarna verhuisde het naar de nabijgelegen Eerste Helmersstraat 208 driehoog. Hermans bezocht de Pieter Langendijkschool (later Annie M.G. Schmidtschool genaamd) aan de Pieter Langendijkstraat 44.. Op deze school speelt het verhaal Manuscript in een kliniek gevonden (1944) uit de bundel Paranoia zich af.

Als jongetje van tien had Hermans enkele favoriete boeken die hij keer op keer las, met als voornaamste criterium de aanwezigheid van helden waar hij zich mee vereenzelvigen kon. Destijds bestond er een serie van goedkope boekjes in een rood papieren bandje, waarin doorgaans klassiekers werden naverteld voor kinderen. Hieruit las Hermans Gullivers reizen en hij identificeerde zich speciaal met Gulliver onder de dwergen. Zijn oudste echte lievelingslectuur was een bewerking voor kinderen van Robinson Crusoe, die hij honderden keren herlas. Ook De Hoogvliegers, over een jongen die meedeed aan een vliegerwedstrijd, van kinderboekenschrijver Leonard Roggeveen was een favoriet. Behalve Roggeveen las Hermans nog meer specifiek voor kinderen geschreven werken, een jeugdfeuilleton uit een oud weekblad (Voor 't jonge volkje) genaamd Kleine oorzaken, grote gevolgen.

Een niet op herkenning gebaseerde, meer geheimzinnige betovering ging uit van het verhaal Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde, eveneens in een bewerking voor kinderen. Nog decennia later kon Hermans het verhaal niet navertellen zonder kippenvel te krijgen. Hermans noemde dit dan ook "het meest significatieve jeugdboek dat ik gelezen heb."

Lectuur van Woutertje Pieterse

Iets later, op twaalfjarige leeftijd, maakte Hermans kennis met Multatuli's Woutertje Pieterse, op een logeerpartij bij een oom die de verzamelde werken van Multatuli bezat. Hermans moest toen vroeg naar bed, maar las in bed met een zaklantaarn. Het verhaal bracht een grote geestdrift bij hem teweeg, waarbij opnieuw zelfherkenning een grote rol speelde bij het verhaal over een Amsterdamse schooljongen die weinig begrip of sympathie ontmoette, onophoudelijk door zijn moeder berispt werd, hooghartig behandeld door zijn oudere broer Stoffel, voor gek versleten door de schoolmeester, uitgekafferd omdat hij dweepte met een soort ridderroman. Bovendien stemde het taaleigen van dit boek precies overeen met het taalgebruik van Hermans' gevreesde grootmoeder, die, geboren in 1860, haar jeugd in dezelfde buurt doorbracht als Woutertje de zijne. De geschriften en de persoon van Multatuli zouden een levenslange belangstelling blijven: een maand voor zijn overlijden trad Hermans nog in het openbaar op ter gelegenheid van de voltooiing van Multatuli's verzamelde werken.

Gymnasiast (1933-1940)

Na de lagere school volgde Hermans onderwijs aan het Barlaeus Gymnasium (1933-1940), waar hij in de derde klas (1936) bleef zitten.

Op twaalf-, dertienjarige leeftijd begon hij belangstelling voor de natuurwetenschappen te ontwikkelen. Tijdens zomervakanties verzamelde hij schelpen en stenen en zijn lectuur bestond vooral uit min of meer populaire natuurwetenschappelijke boeken en biografieën van mensen als Edison. Een grote indruk maakte ook Smeltkroezen. Leven en werken der groote scheikundigen (Leopold, 1931), de Nederlandse vertaling van Bernard Jaffes Crucibles. The Story of Chemistry, een populaire geschiedenis van de chemische wetenschappen.

In de tweede klas werden bij biologie de cloacadieren behandeld, maar Hermans kreeg geen antwoord op de vraag hoe de voortplanting bij de mens in zijn werk gaat. Ook zijn ouders gaven geen voorlichting, zodat hij zichzelf op de hoogte bracht aan de hand van de encyclopedie in de Openbare Leeszaal.

Nadat hij in 1936 was blijven zitten, begon Hermans met schrijven. Datzelfde jaar bestond de school zeshonderd jaar en werd Antigone van Sophocles opgevoerd. Hermans zelf had een kleine rol, maar het stuk maakte een enorme indruk op hem en heeft "een zeer grote stoot aan mijn literaire ontwikkeling gegeven."

Hermans' lectuur van 1936 tot aan de oorlog omvatte onder meer Multatuli, Slauerhoff, Von Kleist, Nietzsche (Also sprach Zarathustra), Céline, Freud (vertaling van Die Psychopathologie des Alltagslebens), Kafka en Schopenhauer. Op zijn zestiende hield hij op school een voordracht over Buddenbrooks van Thomas Mann en in 1938 over Kafka's Der Prozess. In de zesde klas las hij voor het eerst een roman in het Frans, Le Rouge et le Noir van Stendhal.

In december 1938 schreef hij het verhaal Uitvinder, waarmee hij de eerste prijs behaalde van een opstellenwedstrijd georganiseerd door Disciplina Vitae Scipio, de letterkundige vereniging van het Barlaeus. Hermans stuurde het verhaal op naar allerlei tijdschriften die hij kende van de leesportefeuille thuis: eerst naar Groot Nederland, toen naar De Gids, uiteindelijk naar het Algemeen Handelsblad, waar het nog twee maanden bleef liggen. Op 6 april 1940 werd het afgedrukt onder de titel En toch... was de machine goed. Dit verhaal geldt als Hermans' literair debuut.

In de jaren 1939-1940 publiceerde hij in de schoolkrant naast verhalen en gedichten ook essays, over onder meer Slauerhoff, Van Deyssel, Multatuli en Poe.

Bron: Wikipedia

Algemene informatie

Overzicht boeken Willem Frederik Hermans